Lezing op het Symposium 'Van saamhorigheid naar sociale samenhang'
n.a.v. het 50 jarig bestaan van Wijkcentrum Jordaan, Amsterdam
Peter Kollee
Toen ik van de dorpse Bosstraat naar de stadse Boomstraat verhuisde zag ik voor het eerst in mijn leven uit het raam 3 hoog, niet meer boom dan de top van een monumentale iep ergens bij de Lindengracht. De Jordaan wachtte gelaten op renovatie.
Aan de voorkant keek ik uit op een afgesloten lege bouwplek boordevol met balsemien en vlinderstruik. Op zonnige dagen dansten daarboven dagpauwoog en atalanta. Langs het afsluitende hek waren over de hele lengte kranten keurig opgestapeld. Dat was de handel van Ome Klaas die met die stapels tevens regelde wie in de straat mocht parkeren……en voor hoelang.
Aan de achterkant keek ik uit op resten witbetegelde muren van een slachthuis. Tientallen zwarte katten scharrelden er rond. Zij hielden allemaal het platje in de gaten waar Tante Annie, die beneden mij woonde, een flink deel van haar AOW op deed belanden in de vorm van kippenlevertjes. Zij vatte het nachtelijk kattengejammer op als verdriet.
Ten behoeve van de nieuwbouw waren de brokstukken van de ene op de andere dag verdwenen…… samen met de katten.
Van bovenaf had ik zicht op de kleine donkere binnentuintjes waar een assortiment coniferen en een smalkronige sierkers zich dapper naar het licht toe werkten. Na een jaar of vijf zag ik vanachter m’n keukentafel het topje van de ceder als eerste in beeld verschijnen. Dat was een feestelijk moment. Vanuit die positie heb ik jaarlijks zijn aanwas kunnen registreren en inmiddels is hij de bovenkant van het raam ruim gepasseerd. Het huiselijk leven van de achterburen is goeddeels achter zijn breed uitgegroeide takken verdwenen. De sierkers is nu halverwege.

Vanaf de eerste ochtend in de Boomstraat was daar de merel. Vanaf zijn vaste stek op de geveltop achter, schuin links, zong hij, ’s avonds en ’s morgens heel vroeg als het nog zo heerlijk stil is in de Jordaan. Een effectieve oproep tot gebed.
Op een geveltop verderop had een meeuw zijn vaste stek. Hij zat daar iedere ochtend onbeweeglijk met zijn snavel naar het oosten. Op één ochtend echter kwam hij een stoombad nemen boven op het ontluchtingspijpje van de badkamer van de overburen. Linkerpootje en rechtervleugel omhoog, dan omgekeerd….. de oogjes toegeknepen van welbehagen.
Het is heerlijk om 3 hoog te wonen en over de daken nog breed de lucht te zien. Die tussenpositie tussen hemel en aarde. Tegen de achtergrond van het wisselend licht en voorbijgaande wolken is daar steeds beweging. Kriskras de vlucht van de stadsduiven, zeilend de zoekende meeuwen, struinende eksters, af en toe een kraai op inspectie of de trage gang van een reiger richting Westerpark. Een bron van verwondering zijn de gierzwaluwen die vanaf eind april tot begin augustus boven het centrum zwieren. De ijle kreten hoog in de lucht. Hun komst is voor mij meer nieuw jaar dan Nieuwjaar met een hoofdletter.

Ruim twintig jaar woon ik nu in de Boomstraat. De beplanting in de binnentuinen en op daktuinen is flink in volume toegenomen.
Nu scharrelen er koolmeesjes en Turkse tortels. De bosduif heeft voor het eerst een nest gemaakt in de ceder. Af en toe pioniert er een Vlaamse gaai, maar de Boomstraat is hem nog niet bossig genoeg. Op het balkon heeft zich spontaan de gele helmbloem genesteld in een vochtig hoekje van de plantenbak. Vandaaruit heeft hij zich honderdvoudig verspreid over de lagere balkons en aangrenzende platjes.
Het voorjaar zal een sensatie zijn, zoals een woestijn die opbloeit.

De enclave met balsemien en vlinders uit de eerste jaren was onvergetelijk. De intensiteit van de rust die uitging van die plek. Een plek waar jarenlang iedereen vanaf was gebleven. Ruimte voor natuur, eerst aarzelend, dan uitbundig en op het laatst gastvrij voor allerlei soorten. Jonge boswilg en berkjes kondigden het begin van bebossing aan. De belofte van bos in de Boomstraat.
De koopappartementen die op die plek zijn gebouwd hebben nu een geveltuin, beplant met gemakkelijk te onderhouden struiken en wintergroen. Het heeft nog niet de allure van de oudere begroeiing in de straat die jarenlang niet is onderhouden en eigenzinnig het straatbeeld mee bepaald. Zoals die rozenstruik die is teruggesnoeid tot één stam met een brede kroon die zich boven de eerste etage verheft. De opvallende duitse pijp die zich via de regenpijp naar de dakrand heeft geslingerd. Of de klimop die als een dikke groene jas een hele gevel bedekt. De armpjes met bloemen reiken ieder jaar iets verder naar buiten. Voor bloembakken zijn de trottoirs te smal maar hier en daar staan enkele flinke tonnen. In de ene staat ook rozemarijn en in een ander de maggiplant. Ik maak daar wel eens gebruik van.
Zoals naar de komst van de gierzwaluw wordt uitgekeken zo kijk ik jaarlijks uit naar het ontluiken van wilde plantjes in de oksel van de straat, de hoek tussen straat en gevel. Mijn voordeur wordt bewaakt door de giftige doornappel. Knopkruid benut ieder onbelopen plekje als stapsteen.
Straatliefdegras, kruipertje en andere taaie grassoorten wringen zich tussen de klinkervoegen. Van zomer tot in de herfst bloeit de muurfijnstraal, muursla, steenkruidkers, gewone raket en nachtschade. Vanuit een bloembak hebben zich randjesbloem en schildzaad verspreid.



Groen en stadsnatuur in Jordaan, het zijn deze toevalligheden….. een handjevol.
Ze verbinden mij met andere momenten van verwondering over leven, groei en bloei.
Het is een soort verwondering die beklijft, zichtbaar wordt in de houding van mensen.
Een ervaring die dat bevestigt was de eerste groencompetitie in de Jordaan. Het is alweer zo’n 15 jaar geleden, maar de jaarlijkse groenacties zijn nog springlevend. Wat een feest was het om die verborgen, hoogst persoonlijke paradijsjes te zien.
De poëzie van de Jordaan zit in het onverwachte, het persoonlijke, het toevallige.
Dat is moeilijk te combineren met het geplande, het algemene en beheersing. Het gaat om het verschil tussen systeem en inleving……. het verschil tussen beheersen en beheren.
De klimop is inmiddels van de gevel verdwenen. De woningbouwvereniging houdt niet van klimop, zij houdt van gebouwen en beheersen.
Klimop kan luchtroosters verstoppen en schilderwerk aantasten…… dat klopt.
In de betreffende gevel zaten echter geen roosters en de ramen zijn van kunststof zodat ze niet hoeven te worden geschilderd.
Opgeschrikt door een ploeg met bosmaaiers, bladblazers en veegmachines zagen we ook de wilde planten verdwijnen. Wat een herrie! Het resultaat is….. schoon, heel en veilig.
Afwachten wat nu het voorjaar brengt. Hopelijk is het resultaat weer…. levend, verrassend en vriendelijk.

Jordaan …… jardin…. stadse tuin van plantenbakken, bloempotten, daktuintjes, straattuintjes, gevelplanten, zaailingen, muurbloem en straatmadelief….. goudsbloem en eglantier.
Tuin …. hof …. hovenier….. al die handen die die tuin doen voortleven. Verzorgend of niets doend omdat het goed is zo, maar nooit onverschillig. Die handen vinden elkaar als het nodig is om een stukje tuin te verdedigen tegen onverschilligheid, hulp te bieden bij initiatieven of ervaring uit te wisselen. Het wijkcentrum is daar de plaats voor. Daar kent men al die persoonlijke verhalen, klein en groot, van korte of van langere duur……. kortom het leven van alledag.
De neerslag daarvan heet wijsheid. Dat is niet maakbaar, dat kun je hoogstens een kans geven in de tijd. Wijsheid is iets liefdevols, anders is het onwijs. Liefde is een kunst en een kunde. Vandaar dat de tuin sinds de hof van Eden ook wordt gezien als een bron van wijsheid.
Wijkcentrum Jordaan, proficiat met dit jubileum en ik wens jullie nog veel tijd, zodat er wijsheid kan ontstaan. Gemeente, woningbouwverenigingen en andere ons dierbare regelende instituten, stap af en toe daar eens binnen en vraag: hoe staat het met het groen en de natuur in de Jordaan? …… dat is genoeg!
