ROOD ALS GROEN - DE STAD ALS NATUUR. Gedachten over een urbane Toekomst

Available translations: 

 

Stedenbouwkundige zijn gewend te denken in de kleuren ‘rood’ en ‘groen’’. Rood staat voor stad en groen voor natuur. en hiermee is er al een tegenstelling geschapen.
Zo ook gaat de wetgeving hiermee om: de plannen maken onderscheid tussen rood en groen, rood zijn de gebouwen en wegen en met groen in de stad is dan recreatieve functie bedoeld zoals een park.

Maar nu hebben nog niet zo lang geleden de biologen een knuppel in het hoenderhok gegooid: Hun onderzoeksresultaten tonen aan dat de biodiversiteit in steden groter is dan op het platte land. Meer species van flora en fauna in de stad dan daarbuiten. Wat dit betekent is nog nog nauwelijks doorgedrongen bij stedenbouwkundige. Langzaam maar zeker moet nu de nieuwe gedachten gaan postvatten dat de oude tegenstelling niet meer klopt. Wordt het niet de hoogste tijd nu eens naar de stad te gaan kijken met de ogen van beestjes en zaadjes, hoe absurd dit in eerste instantie ook lijkt. Die denken namelijk niet in de categorieën ‘stad’ en ‘natuur’, die zien/voelen gewoon een ander soort natuur: zoiets als ‘rotslandschap’!

Als we zo ver zijn gekomen zouden we makkelijk de vraag kunnen stellen: wat hebben wij, zij de beestjes en plantjes en wij, de tweebenige soort, samen nodig? Hebben wij iets aan elkaar? En dan kom je tot de ontdekking, dat wij elkaar zelfs broodnodig hebben, de plantjes, de bomen, de insecten, de vogeltjes en wij, de mensjes. Het is eigenlijk een bekent verhaal, je leer het al op de lagere school: wij ademen zuurstof in en stikstof uit en de planten doen het omgekeerde, de insecten teren op de planten en de vogels houden ze weer in toom. Zo ging het altijd en nu komt maar nog iets bij, en dit is van recenter datum, waardoor deze verhouding opnieuw onder ogen moet worden genomen: Klimaatsverandering. De opwarming van de aarde. Steden spelen een voorname rol erin, ook door onderzoek aangetoond. Erbij komen de toenemende overstromingen: de overstromingen van de afgelopen jaren hebben het besef doen groeien dat het oppervlak van steden bij stortbuien geen water terug kan houden, op zich logisch en bekend – maar nu langzaamaan een probleem vanwege het wispelturige weer en de daarmee gepaard gaande stortvloeden van de hemel.Kunnen wij op ‘natuurlijke’ manier iets eraan bijdragen om deze problemen te verzachten? Jazeker, en dan kom ik aan een essentieel punt; het helpt als wij de barrière in ons hoofd tussen stad en natuur opheffen: als wij naar de stad als een specifieke soort natuur kijken en de handreikingen, die de natuur doet, aannemen, als we er niet met onze rug naar toe gaan staan.
Voorbeeld: Het regenwater wordt tot op zekere hoogte terug gehouden in de grond die met zijn planten water kan opnemen. Als je die grond hebt weggenomen om een gebouw neer te zetten, hoeft dit niet zo’n probleem op te leveren. Want: je kunt die grond gewoon een paar verdiepingen hoger op het dak weer neerleggen. Daar doet ie dan hetzelfde als eerder op de begane grond: behoorlijk wat water opnemen voordat ie de overschot afgeeft. En die grond, neergelegd op het dak, is nog een isolatielaag tegen koude en hitte ook.

Het vermogen vocht terug te houden en zuurstof af te geven door het blad van de planten draagt bij tot een verbetering van het stedelijk klimaat. Bekend. Sinds kort weten wij ook: het positief effect gaat nog verder, want wij hebben nog een ander probleem, de fijnstof-kwestie. Groen reinigt de lucht: Bladeren zuigen bij wijze van spreken de fijstofhoudende lucht aan, de fijnstoffen blijven aan het oppervlak zitten en worden dan met de eerstvolgende regen de grond of het riool in gespoeld. Ook daarmee vertel ik nog niets nieuws. Aan de Technische Universiteit van Berlijn doen ze onderzoek naar al die genoemde effecten en hebben ze het erover dat een groen oppervlak die met een derde terug zou kunnen brengen. Alleen als men doordenkt naar de daadwerkelijke toepassing ervan in de stad, dan wordt het ineens problematisch om niet te zeggen conflictueus – vooral conflictueus met de beroepsgroep van architecten en stedenbouwkundige. Want de steden zouden dan ineens heel anders uit gaan zien. De steden worden dan – wat toegespitst gezegd – een soort groene landschappen met veel diepe groene ravijnen: Niet alleen de daken zouden ja dan groen zijn maar ook de gevels zouden begroeit zijn. Want de positieve effecten gelden ja niet alleen voor groene daken die je meestal alleen vanuit een helikopter zou kunnen zien, maar ook voor begroeide muren: vertikaal groen heeft vrijwel dezelfde milieueffecten en kan zelfs eveneens tot isolatie bijdragen, afhankelijk ervan hoe het geconstrueerd is.
Als  je zo heel nuchter over nadenkt zou voor de hand liggen dat wij vrijwel alle gebouwen van een groene huid voorzien. Wij zouden eigenlijk verbaasd moeten zijn dat wij niet allang ermee bezig zijn. De groene stad:  een efficiënte bijdrage aan de problematiek van het stedelijk milieu en aan het gevecht tegen de opwarming van de aarde.

Maar dit druist frontaal in tegen onze idee van stad. De stad als natuur: leuk misschien als idee en aanvaardbaar als de rotslandschap zoals ze zich nu voordoet  maar toch zeker niet als ze heel anders uit gaat zien, als ze door heel veel groen bedekt zou zijn?

Want als je zo een idee oproept dan gaan bij menig architect al de haren overeind staan. Dat zou weleens kunnen komen door die diep in geprinte scheiding tussen rood en groen. Daarop is een hele esthetische traditie gebaseerd. Begrijpelijk ook – en dan om twee redenen: Ten eerste was ‘natuur’ tot aan het einde van 18e eeuw nog iets dat als bedreigend werd ervaren, waartegen men zich te weer moest stellen, wat een overheersende macht was (kijk maar naar de cijfers, hoe klein het aantal mensen wereldwijd toen nog was). Uit deze anti-natuur-houding is een hele esthetische houding voortgekomen wat de steden betreft. Het mensengemaakte was de antipode van de natuur, dit werd zichtbaar gemaakt in de gebouwen, zelfs in de tuinen: getemde natuur. Deze opvatting ging dan vanaf de verlichting gepaard met de vooruitgangsgedachte. In de architectuur heeft dit zijn toppunt ervaren in de moderne en haar esthetiek: een en al rationeel en de technologische vooruitgang vierend – de ‘natuur’ werd in een rationeel omcirkeld hokje gezet met als functie ‘de recreatie’.

Maar er was uiteraard ook nog een andere rationele reden de natuur buiten de gebouwen te houden:  in het verleden beschikten wij niet over goede technische mogelijkheden om de integratie van rood en groen vlekkeloos te laten verlopen. De uitvinding van kunststof en perfecte folies en dichtingsmiddelen is iets van pas de afgelopen decennia. Maar inmiddels zijn er zo uitgekiende technische constructies ontwikkeld dat het veel verstandiger is voor een groen dak te kiezen dan voor een niet-groene want het groene gaat gemiddeld dubbel zo lang mee. En er zijn plantencombinaties ontwikkeld zich ook in droge zomers zonder te sneuvelen zelf kunnen bedruipen: geen gieter of gietinstallatie ervoor nodig.

En als je een heerlijke tuin op je dak wilt hebben kan dit ook en je mag zelfs midden in de zomer met een lange vakantie gaan zonder dat die in gevaar komt. Daarvoor hebben wij inmiddels de mogelijkheid van een installatie die de  besproeiing op eenvoudige manier elektronisch regelt. Geen mens hoeft meer aan te pas te komen. Niet duur nog ook. Ook dit een technologische verworvenheid van de afgelopen een, twee decennia. En wat voor de daktuinen geldt, geldt inmiddels ook voor het verticaal groen: je kunt nu schitterende verticale tuinen creïeren die het waarschijnlijk niet onder zouden doen van de beroemde hangende tuinen van Semiramis die ooit eens als het 8. wereldwonder doorgingen. Er staat dus de dak- en gevelbegroening  niets meer in de weg.

Maar de vakwereld staat afwachtend, ten opzichte van gevelgroen meestal zelfs afwijzend tegenover. Voor hun is alles nog vrij nieuw. Ze zijn anders opgeleid (en opleiding heeft een grote invloed, dat is haast zo iets als hersenspoeling). De meeste architecten weten ook nog niet zo goed raad me, omdat ze de technische mogelijkheden nog onvoldoende kennen. En – dit speelt m.i. de hoofdrol: Ze zijn ook nog te zeer gevangen in het oude idee dat het oppervlak van een stad gewoon steen en glas is. Stad als natuur? Geen sprake van

En toch is het prille begin van een kentering te zien.
Wat de groene daken betreft, begint er maar toch al aardig wat op gang te komen: er zijn diverse gemeenten die groene daken reeds verplicht stellen bij nieuwbouw – zoals Basel, Linz a.d.Donau of Toronto; anderen geven een demonstratief voorbeeld, door groene daken op alle overheidsgebouwen te laten uitvoeren - Chicago doet dit en is inmiddels wereldwijd populair ervoor; weer anderen geven subsidie voor groene daken en/of gratis technisch advies, zoals b.v. Antwerpen dat op die manier ook bestaande gebouwen onder een groen vel probeert te krijgen.

Met het vertikaal groen ligt het moeilijker. Maar er zijn zoals bij alle nieuwe ontwikkelingen ook hier al pioniers aan de gang. Wat de steden betreft, bijt Parijs de spits af: In het bestemmingsplan voor de binnenstad is een nieuwe categorie groen geïntroduceerd: verticaal groen, en er zijn kleine gebiedjes omlijnd waar dit moet komen. Sensatie! En het begin is al gemaakt: Zelfs zeer bekende architecten experimenteren ermee: Jean Nouvel heeft in zijn nieuw museum aan het Quai Branly in Paris de hele gevelfront naar de Seine van een vertikaal groen laten voorzien door Patrick Blanc. Het is een schitterende verticale tuin geworden, een nieuwe toeristen-attractie. Patrick Blanc is überhaupt dé expert op dit gebied – een bioloog die al decennia aan het ontwikkelen van constructies en plantensoorten voor verticale tuinen gewerkt heeft en inmiddels over de hele wereld zijn creaties neerhangt. Hij is in Frankrijk ook bij het brede publiek een zeer populaire iemand. Er was een tentoonstelling over zijn verticale tuinen in het gebouw van de franse energiewerken – op zich al een opmerkelijke locatie, die tentoonstelling was zo druk bezocht dat mensen in files op straat voor ingang wachtten, mensen van alle leeftijden en uit alle sociale lagen.

Dat is dan weer typisch: de gedachte aan een groene stad slaat bij het brede publiek veel beter aan dan bij de architecten. Natuur is geliefd, men verlangt naar natuur, liefst zo dicht mogelijk bij huis – tuinen op het dak en langs de gevel: dat vinden vele mensen erg leuk. Maar de spinnen dan? Ook tegen de insectenvrees van sommigen is al een kruid gewassen, in letterlijke zin: er bestaat b.v. een organisch substraat gemaakt van een speciaal soort varen dat de insecten niet lusten...

In de vakwereld zit echter nog veel weerstand - ondanks schitterende projecten, die een nieuw schoonheid laten zien... BIOTOPE CITY JOURNAL probeert een steentje ertoe bij te dragen om die weerstand langzaamaan op te lossen. Wij doen het op de klassieke weg van discussie met en  informatieverstrekking naar vooral de vakwereld, de investeerders in de huizenmarkt, de ambtenaren en de politici: BIOTOPE CITY JOURNAL voert de discussie over de stad als natuur en laat voorbeelden zien hoe het kan en hoe het eruit gaat zien. Leuke voorbeelden zijn er wel, zoals het zwembad Mercator in Amsterdam dat eind vorig jaar klaar kwam, architect Ton Venhoeven, een en al bedekt van een groene huid, heel bijzonder gebouw. Het Musée du Quai Branly van Jean Nouvel heb ik al genoemd. De franse architect Edouard François experimenteert met diverse mogelijkheden van gevelbegroening – zijn ‘Flowertower’ werd in vrijwel alle toonaangevende vakbladen gepubliceerd, een flatgebouw in een Parijse buitenwijk met op elke verdieping rond omheen een galerie met dicht bij dicht vast geïnstalleerde plantenpotten met bamboe en uiteraard een elektronisch gestuurde watervoorziening. Daarnaar heeft hij in het 13e arr. van Parijs een aaneengesloten kleine buut gebouwd met een vrijstaande plantenmuur over de hele hoge en lange gevel heen. Voor planten om eraan omhoog te ranken. Het zal een aantal jaren duren totdat het helemaal in het groen staat... Te pas komt bij zulke projecten ook dat, door de klimaatsverandering en de als maar warmere zomers, de mensen ook meer behoefte hebben aan schaduw. De kreet van de Moderne naar licht en zon werkt inmiddels behoorlijk averechts – en de lucht wordt juist beter door de beplanting.